Oplichting in het strafrecht: wat zegt de wet en wat zijn de gevolgen?

Oplichting is in het strafrecht geregeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt het bewust misleiden van iemand strafbaar, met als doel jezelf of een ander te bevoordelen ten koste van het slachtoffer. Wie iemand ertoe beweegt iets af te geven, een schuld te maken of een handeling te verrichten door gebruik te maken van listige kunstgrepen, een valse naam of hoedanigheid, of samenweefsel van verdichtsels, kan worden vervolgd voor oplichting.

Het gaat dus niet om elke leugen of elk bedrog. De wet stelt specifieke eisen aan de manier waarop iemand is misleid. Dat maakt oplichting als strafrechtelijk begrip preciezer dan veel mensen denken.

Wat staat er precies in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht?

Artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht omschrijft oplichting als het bewegen van een ander tot afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een vordering. De dader moet daarvoor een specifiek middel hebben gebruikt. De wet noemt vier middelen:

  • Een valse naam of valse hoedanigheid (bijvoorbeeld je voordoen als vertegenwoordiger van een bedrijf)
  • Listige kunstgrepen (slimme, doelbewuste trucjes die het slachtoffer om de tuin leiden)
  • Een samenweefsel van verdichtsels (een reeks van leugens die samen een geloofwaardig verhaal vormen)
  • Het aannemen van een valse hoedanigheid in combinatie met een of meer van bovenstaande middelen

Het slachtoffer moet ook daadwerkelijk iets hebben gedaan als gevolg van die misleiding. Is er geen handeling van het slachtoffer, dan is er juridisch gezien geen voltooid oplichtingsdelict. Dat onderscheidt oplichting van poging tot oplichting.

Wat is de maximale straf voor oplichting?

Op oplichting staat een gevangenisstraf van maximaal vier jaar, een geldboete van de vierde categorie, of beide. Bij een geldboete van de vierde categorie gaat het in Nederland om een wettelijk vastgesteld maximumbedrag dat regelmatig wordt geïndexeerd. De rechter kijkt bij de strafmaat naar factoren als de hoogte van het geleden nadeel, de duur van het bedrog, het aantal slachtoffers en of de verdachte al eerder is veroordeeld.

Naast de strafrechtelijke veroordeling kan de dader ook civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. Het slachtoffer kan dan schadevergoeding eisen via de rechter, of zich als benadeelde partij voegen in het strafproces.

Wanneer is iets géén oplichting in de zin van de wet?

Niet elk bedrog of elke leugen levert oplichting op in de strafrechtelijke zin. Een eenvoudige onware mededeling is op zichzelf niet genoeg. De rechter beoordeelt of de gebruikte middelen voldoende listig of omvangrijk waren om het slachtoffer redelijkerwijs te kunnen misleiden. Iemand een product verkopen dat tegenvalt, is nog geen oplichting. Pas als er een doelbewuste, samenhangende misleiding is die iemand ertoe beweegt iets te doen of af te geven, kan artikel 326 van toepassing zijn.

Ook de volgorde van de handelingen telt. Het bedrog moet de oorzaak zijn van de handeling van het slachtoffer, niet andersom. Is het slachtoffer al van plan geweest iets te doen voordat de misleiding plaatsvond, dan is het causaal verband moeilijker te bewijzen.

Oplichting bewijzen: wat moet het Openbaar Ministerie aantonen?

Het Openbaar Ministerie (OM) moet bij een vervolging voor oplichting drie elementen bewijzen: het gebruik van een van de wettelijke middelen, de bewuste opzet van de verdachte, en het feit dat het slachtoffer door die misleiding daadwerkelijk heeft gehandeld. De opzet is een belangrijk punt. De verdachte moet bewust hebben willen misleiden, met het doel zichzelf of een ander te bevoordelen.

In de praktijk speelt het bewijs van opzet een grote rol bij de verdediging. Iemand kan betogen dat hij te goeder trouw handelde, of dat het slachtoffer niet voldoende voorzichtig is geweest. De rechter weegt alle omstandigheden mee.

Veelvoorkomende vormen van oplichting in de strafrechtspraktijk

Oplichting komt voor in veel verschillende gedaanten. Voorbeelden die in de rechtspraktijk regelmatig terugkeren:

  • Online verkoopfraude waarbij goederen worden aangeboden maar na betaling nooit worden geleverd
  • Het aannemen van een valse identiteit of neppe zakelijke hoedanigheid om leningen of diensten te verkrijgen
  • Beleggingsfraude waarbij valse rendementen of projecten worden beloofd
  • Zorgfraude waarbij zorg wordt gedeclareerd die nooit is geleverd
  • Acquisitiefraude waarbij bedrijven worden misleid tot het betalen van facturen voor niet-bestelde diensten

In al deze gevallen is het patroon hetzelfde: doelbewuste misleiding met een van de wettelijke middelen, gevolgd door een handeling van het slachtoffer die hem of haar benadeelt.

Ben je slachtoffer van oplichting, dan is aangifte doen bij de politie de eerste stap. Het OM beslist daarna of vervolging volgt. Bij twijfel over de juridische kwalificatie van een situatie, ook vanuit de positie van verdachte, is juridisch advies sterk aan te raden. De grens tussen oplichting en een civiel geschil kan soms dun zijn, maar de strafrechtelijke gevolgen zijn groot.