Tennis termen uitgelegd: de belangrijkste begrippen op een rij

Tennis termen zijn de woorden en uitdrukkingen die je nodig hebt om het spel te begrijpen, te volgen en erover te praten. Van “ace” tot “volley”: elke term heeft een vaste betekenis die door spelers en scheidsrechters wereldwijd wordt gebruikt. In dit overzicht vind je de meest gebruikte tennistermen, ingedeeld op thema.

Puntentelling en score in tennis

De score in tennis werkt anders dan in de meeste andere sporten. Een game begint op 0-0, uitgesproken als “love-all”. De punten lopen niet gewoon op van 1 naar 2, maar gaan van 15 naar 30 naar 40. Win je daarna nog een punt, dan win je de game. Bij gelijke stand op 40-40 heet dat “deuce”. Daarna moet een speler twee punten achter elkaar winnen. Het eerste punt na deuce heet “voordeel” (of “advantage”).

  • Love: 0 punten
  • 15: eerste punt
  • 30: tweede punt
  • 40: derde punt
  • Deuce: gelijke stand op 40-40
  • Advantage: het punt direct na deuce
  • Game: gewonnen game
  • Set: gewonnen set (meestal bij 6 games gewonnen)
  • Tiebreak: beslissende mini-game bij 6-6 in een set
  • Match: de gehele wedstrijd

Een set win je meestal door als eerste 6 games te halen, met een voorsprong van minimaal 2 games. Bij 6-6 volgt in de meeste gevallen een tiebreak. Daarin spelen spelers punten door tot 7, maar ook hier geldt een minimale voorsprong van 2 punten.

Tennistermen voor slagen en technieken

Bijna elke manier waarop je de bal slaat heeft een eigen naam. De slag waarmee een punt begint heet de “serve” of “opslag”. De speler die serveert heet de server. De tegenstander is de ontvanger, ook wel “receiver” genoemd.

  • Ace: een opslag die de tegenstander niet raakt en direct een punt oplevert
  • Double fault: twee foute opslagen achter elkaar, waardoor de tegenstander het punt wint
  • Forehand: slag met de voorkant van de hand (rechterhand voor rechtshandige spelers)
  • Backhand: slag met de achterkant van de hand, of met twee handen
  • Volley: bal slaan voordat die de grond raakt, meestal bij het net
  • Lob: hoge boogbal over de tegenstander heen
  • Smash: krachtige slag omlaag vanuit een hoge balligging, vergelijkbaar met een opslag
  • Dropshot: zachte slag die net over het net valt en nauwelijks stuitert
  • Slice: slag met terugwaartse spin, waardoor de bal laag blijft na het stuiteren
  • Topspin: slag met voorwaartse spin, waardoor de bal snel naar beneden gaat na het stuiteren
  • Winner: een slag die de tegenstander niet kan bereiken en direct een punt oplevert
  • Passing shot: een bal langs een speler die bij het net staat
  • Return: de slag waarmee je de opslag van de tegenstander terugslaat
  • Rally: een reeks slagen heen en weer over het net

Termen rondom de opslag

De opslag kent een aantal vaste begrippen. De server heeft twee kansen: een eerste opslag en, als die fout is, een tweede opslag. Valt de bal bij de opslag in het servicevak en raakt die het net, dan heet dat een “let”. De opslag wordt dan opnieuw gespeeld zonder straf. Een opslag die buiten het servicevak terechtkomt of het net raakt zonder geldig te zijn, is een “fault”.

Naast de ace zijn er ook termen voor de positie van de opslag. “Flat serve” is een harde, rechte opslag zonder veel spin. “Kick serve” is een opslag met veel topspin, waardoor de bal hoog opspringt. “Slice serve” maakt gebruik van zijwaartse spin en stuurt de bal naar de zijkant.

Termen voor de baan en het spel

Ook de baan en de spelregels hebben eigen tennistermen. Het speelveld bestaat uit verschillende zones, en elke zone heeft een naam.

  • Baseline: de achterlijn van de baan
  • Servicelijn: de lijn die het servicevak aan de achterkant begrenst
  • Servicevak: het vak waar de opslag in moet landen
  • T-lijn: de middelste lijn in het servicevak, in de vorm van een T
  • Tram lines: de zijstroken die alleen bij dubbelspel in gebruik zijn
  • No man’s land: het middengedeelte van de baan, tussen de baseline en de servicelijn, een lastige positie om te staan
  • Singles: enkelspel, één speler tegen één speler
  • Doubles: dubbelspel, twee spelers aan elke kant
  • Mixed doubles: gemengd dubbelspel, met één man en één vrouw per team

Overige veelgebruikte tennis termen

Naast de bovenstaande begrippen zijn er nog een aantal termen die je vaak tegenkomt bij wedstrijden en uitzendingen.

  • Break: een game winnen terwijl je niet serveert
  • Break of serve: hetzelfde als break
  • Hold: een game winnen terwijl je wel serveert
  • Bagel: een set winnen met 6-0
  • Breadstick: een set winnen met 6-1
  • Grand Slam: de vier grootste toernooien (Australian Open, Roland Garros, Wimbledon, US Open)
  • Seed: een geplaatste speler op basis van ranglijst
  • Wildcard: een uitnodiging voor een toernooi voor een speler die zich niet normaal heeft gekwalificeerd
  • Walk over: een punt of wedstrijd gewonnen omdat de tegenstander niet verschijnt of zich terugtrekt
  • Unforced error: een eigen fout die niet door druk van de tegenstander is veroorzaakt
  • Forced error: een fout die ontstaat doordat de tegenstander een moeilijke bal speelt

Al deze tennis termen samen geven je een stevige basis om een wedstrijd te volgen, commentaar te begrijpen en zelf over het spel te praten. Of je nu net begint of al een tijdje speelt, een goed begrip van de terminologie maakt het spel een stuk inzichtelijker.